Moeten we de zesjesjagers opjagen?

Je kunt zelf een nacht gaan liggen piekeren over die lastige kwestie, of je leest de scherpe analyse van filosoof Jelle van Baardewijk in zijn blog Dilemma op Donderdag. Deze keer: moet je als docent meer uit zesjesstudenten halen?

Moeten we de zesjesjagers opjagen?
illustratie Demian Janssen

De lange zomervakantie in het onderwijs biedt elk jaar een mooie gelegenheid om met enige afstand te kijken naar ons werk als docent. Dit jaar heb ik in het bijzonder nagedacht over de afstudeerders van het afgelopen jaar. Net als veel collega’s had ik gemengde gevoelens als ik aan ze dacht: genoegdoening en vreugde over de studenten die hard hebben gewerkt en iets moois hebben neergezet. Zij waren met velen. Trots, als ik aan die studenten dacht waarvan niemand had gedacht dat ze zo mooi zouden afstuderen. Stiekeme blijheid of een beetje ongemak bij sommige lastige gevallen.

En dan… dan is er altijd weer die pluk zesjesjagers. Met welk gevoel wordt die eigenlijk uitgezwaaid? Gelatenheid? Een collega vatte het gevoel aardig samen: ‘Ik ben blij voor hem, want hij heeft z’n diploma, maar ergens heb ik het gevoel dat ik heb gefaald. Had ik misschien toch meer moeten eisen?’ Als ethicus vind ik dit een interessante vraag: Moeten we meer eisen van studenten? Moeten we de zesjesjagers opjagen?

In de deugdethiek zijn interessante argumenten te vinden om hoge eisen te stellen aan onszelf. In deze manier van nadenken over goed handelen staat een ontwikkelde levenshouding centraal. Daartoe behoren voor een student niet alleen deugden als rechtvaardigheid, eerlijkheid en oprechtheid, maar ook grondigheid, nuanceringsvermogen en volharding.

Vanuit de deugdethiek bezien, moeten we studenten niet alleen beoordelen op het behaalde studieresultaat (‘ik heb toch een voldoende?’) of hun goede intenties (‘ik wilde mijn essay gisteren schrijven, maar ik moest nog werken… kan ik het morgen inleveren?’), maar juist ook met het oog op het ontwikkelen van de juiste karakterhouding.

Uitzonderingen daargelaten mag een student ook weleens met consequenties worden geconfronteerd. Geen genadezesjes dus, maar herkansingen. Wie weet motiveert het een student om voortaan wel het beste uit zichzelf te halen.

Dit klinkt erg vanzelfsprekend, maar sinds de jaren zeventig zijn docenten met het oog op het ideaal van democratisering en kansengelijkheid erg gefocust op eerlijkheid. Bij het nakijken van een toets mag er vooral niemand voorgetrokken of achtergesteld worden.

Vanuit de deugdethiek is dit ook belangrijk, maar wel ondergeschikt aan de ontwikkeling van een juiste houding. Een leerling met een zesje kan een overwinning van jewelste zijn, maar als de student echt beter moet kunnen, dan is een zes een indicatie van falen (van student en docent).

Ik pleit er niet voor in een dergelijk geval de student dan maar een onvoldoende te geven, maar een docent die z’n vak verstaat, mag hier een stevig gesprek aangaan met een student. Als deze student dan bij ons wil afstuderen, kunnen we daar misschien wel bij zeggen dat we dat liever niet hebben als die student er met de pet naar gooit.

Overigens is het omgekeerde ook het geval. Een leerling die vanuit faalangst een acht haalt, en vanaf het moment van de toets tot de bekendmaking van de resultaten op is van de zenuwen, haalt ook niet het beste uit zichzelf. Ook hier zou een docent vanuit de deugdethiek bezien ruimte voor verbetering moeten zien. Afremmen!

Moeten wij meer dan een zesje eisen van studenten? Nou, dat hangt af van de potentie van een student. Als een student meer kan, dan is het de plicht van een goed docent om de student aan te sporen meer uit zichzelf te halen. Een hogeschool die haar studenten zo goed mogelijk wil opleiden, moet riskeren ontevreden studenten af te leveren.

Moeten we de zesjesjagers opjagen?
« Terug naar overzicht